Een eigen antwoord

Op ieder potje past een dekseltje, zeggen ze wel eens. Voor nieuwe ideeën is dat niet anders, en voor mensen net zo goed. Omgevingen die ruimte durven geven kunnen helpen om de juiste matches te vinden, waardoor er dingen kunnen gaan bloeien en kruisbestuiven. Dit is het verhaal van mijn zoektocht naar een plek in maatschappij en economie, en van het eigen antwoord dat ik daarin vond.
Een eigen antwoord

In het calvinistische Nederland, misschien nog wel meer dan elders, is ‘hard voor weinig, nooit chagrijnig’ een volksmotto geworden. “De aardbodem (is) omwille van u vervloekt” zo luidt de Bijbel al bijna direct aan het begin, als de mens het paradijs uitgebonjourd wordt. “Met zwoegen zult u daarvan eten, al de dagen van uw leven; dorens en distels zal hij voor u laten opkomen en u zult het gewas van het veld eten. In het zweet van uw gezicht zult u brood eten, totdat u tot de aardbodem terugkeert.” Stevige taal.

Overvloed: een utopie?

Overvloed was er ooit wel, in de Hof van Eden, waar alles letterlijk aan de bomen groeide en de mens zorgeloos en al vruchtenplukkend door het leven kon gaan. Zo’n situatie zou er ook ooit weer komen, maar uitsluitend als religieuze toekomstverwachting, waar God zelf alles nieuw maakt. Maar tot die tijd is het gebukt gaan onder arbeid een heilige plicht, een soort ascese die in de hemel tienvoudig vergoed zal worden. Luieren en tegelijk het goede leven genieten is voor de calvinist niet alleen moreel verwerpelijk maar ook onmogelijk. “Wie niet wil werken, zal ook niet eten.” Middeleeuwse voorstellingen van Luilekkerland, waar gebraden varkentjes als wandelende rollades voor je uitdartelen, zijn een utopie in de letterlijke zin van de oorspronkelijke Griekse herkomst van het woord: ‘ou topos’, oftewel non-plek – een wereld die fundamenteel niet kan bestaan.

Nooit meer werken

Toch zijn er wel degelijk mensen die geloven dat we in de nabije toekomst nooit meer zullen hoeven te werken. Zelfs al eerder in de geschiedenis dan je misschien zou denken. Toen de industriële revolutie het produceren van voedsel en goederen voor het eerst op massale schaal mogelijk maakte, klonken de gedachten van intellectuelen soms al opvallend identiek aan hedendaagse voorspellingen van popfuturisten als Yuval Noah Harari. Maar in tegenstelling tot nu, was de gedachte dat machines de mens spoedig overbodig zullen maken destijds geen schrikbeeld maar juist een hoopvol vooruitzicht.

Toekomstdromen gebaseerd op overvloed waren ook populair in de 20e-eeuwse culturele avant-garde en science-fiction. Laten we Star Trek nog maar weer eens als voorbeeld nemen. In het Star Trek-universum zijn het Replicatoren, magische 3D-printers die elk mogelijk object atoom voor atoom uit de lucht kunnen toveren, die de crew van basisbehoeften als voedsel, frisse lucht en drinkwater voorzien. “Machines of Loving Grace”, noemt de Californische dichter Richard Brautigan dit soort technologie in 1972: mechanische opperwezens die de mens uiteindelijk van de oervloek zullen bevrijden en weer terugbrengen naar het paradijs. De Nederlandse kunstenaar Constant Nieuwenhuys gaat zelfs nog een stap verder. Zijn speculatieve ontwerp – een levenswerk waar hij van 1959 tot 1974 aan werkte – voor een volledig geautomatiseerde speeltuin-stad die de gehele wereld omspant, noemde hij ‘Nieuw Babylon’, als een soort techno-hedonistische tegenhanger van het Bijbelse Nieuw Jeruzalem, waarin de homo ludens, de vrije, spelende mens, de werkende, burgerlijke mens spoedig zou gaan vervangen als het nieuwe culturele ideaalbeeld.

Economisch overbodig

Hoewel mechanisering en automatisering inderdaad een vogelvlucht hebben genomen, heeft geen van deze futuristen hun droom wezenlijk dichterbij zien komen. De economische voorspoed van de jaren ’60 bracht weliswaar meer algehele welvaart en vrije tijd, maar een maatschappijbrede loskoppeling van arbeid en welvaart is er nooit gekomen. In tegendeel, na de economische crisis van de jaren ’70 en ’80 is de kloof tussen grootkapitaal aan de ene kant en hard werk aan de andere kant, alleen maar toegenomen. En hoewel het internet wel degelijk nieuwe mogelijkheden creëerde, was het voor veel mensen niet de beloofde speelse vrijheid, maar veeleer eindeloos hosselen zonder de zekerheid en stabiliteit van een loonbaan. Nog meer automatisering is op dit moment dan ook allesbehalve een utopie: een groeiende groep mensen wereldwijd staat, vaak zonder het zich te realiseren, op het punt om economisch overbodig te worden.

En wat dan?

Afstand tot de arbeidsmarkt

Sinds ik na mijn Masterstudie, in het voortraject van een PhD, uitviel, heb ik zoals dat heet een ‘afstand tot de arbeidsmarkt’. Dat houdt in dat je het basisniveau dat vereist wordt voor een baan niet haalt. Het loon is immers gebaseerd op wat een werknemer verwacht wordt te presteren.

In praktische banen komt veel aan op snelheid. Zo moest de plasticfabriek waar ik eens werkte de machines, die een constante stroom dekseltjes uitspuwden, voortdurend langzamer zetten – of zelfs uit, omdat de plaat al weer was volgelopen en er dekseltjes tussen de wielen vast begonnen te raken. En in de theoretische sector, waar de hoogst opgeleide generatie uit de geschiedenis concurreert voor een beperkt aantal posities, heb je niet alleen evengoed te maken met een moordend hoge tijdsdruk (een beetje intellectueel schrijft minstens twee boeken per jaar), maar ook met complexe vormen van projectmanagement, leiderschap en organisatiepolitiek. Met alleen slim zijn red je het niet.

Participeren

In 2015 liep ik voor het eerst Seats2meet binnen - niet toevallig op het moment dat ik niet meer in het universiteitskantoortje kon zitten en ik de onderzoekspaper die ik schreef niet meer uit m’n vingers kreeg. Ik trof er niet alleen een werkplek en inspirerende omgeving aan maar kon in die tijd zelfs onbetaald aanschuiven voor de lunch (Milton Friedman zou daar vast van alles van gevonden hebben). Dankzij de WAJONG kon ik die jaren redelijk speels mijn eigen passies ontplooien: hobbymatig maar toch semi-professioneel en zonder het geheig in n’n nek van de noodzaak om constant overal op te solliciteren en ieder baantje aan te grijpen. Seats2meet was mijn vaste uitvalsbasis. Ik schreef veel over underground muziek, ontwikkelde een businessplan voor een cultureel stadslab, archiveerde trends in visuele internetcultuur en heb geprobeerd aan de weg te timmeren als DJ-producer en curator van clubavonden in Rotterdam.

Gaandeweg werd de druk om te re-integreren zwaarder. Ik deed werkfittrajecten, proefplaatsingen en probeerde tegelijk alsnog verwoed een kunstcarrière van de grond te krijgen. Het mocht niet baten. “Wij zijn geen cultuursubsidie” zei het UWV met enige regelmaat. “U mag best een hobby hebben, maar het is wel de bedoeling dat u weer gaat participeren in de maatschappij.” Maar wat is dat dan, participeren, als het doel niet in de eerste plaats economisch is? Inmiddels heb ik daar, geloof ik, een eigen antwoord gevonden. Niet door alsnog aan de maat van de arbeidsmarkt te willen voldoen, maar door die arbeidsmarkt zelf niet langer als het enige, vanzelfsprekende ijkpunt te zien, hoeveel druk er ook van uitgaat. Sommige dingen kunnen namelijk bestaan en zich ontwikkelen in een beschutte omgeving die buiten die omgeving nog geen duidelijke waarde lijkt te hebben, om vervolgens, zodra de bredere omgeving verandert, in één keer een heel andere waardering te krijgen.

Waarde uitbroeden

Seats2meet had voor dat ecosysteem destijds een grootse visie en zag zichzelf het liefst als revolutionair, utopisch concept dat wereldwijd kon schalen. Wonders of Work houdt het liever bij deze ene plek in hartje Utrecht. Het ontmoeten, beleven en verwonderen ‘gebeurt’ hier ook niet zomaar vanzelf, dat is precies waarom ik als network incubator aan de slag ben: om uit te zoeken wat er precies voor nodig is om dat een boost te geven. Het basisprincipe blijft wel overeind: iedereen bezit potentieel relevante, vaak verborgen waarde, onafhankelijk van je sociaal-maatschappelijke positie of opleidingsachtergrond. Het op niet-commerciële manier ruimte bieden aan deze waarde, mogelijk gemaakt door kleine beetjes overvloed, creëert een maatschappelijke broedmachine. Het geeft non-conventionele manieren van zijn en doen, die op dat moment nog niet goed passen in de economische omgeving, de kans om zich rustig te ontwikkelen, te verbeteren en hun weg te vinden naar buiten. Eigenlijk een beetje als de plastic dekseltjes die ik destijds moest weggooien omdat ze niet helemaal naar de standaard gestampt waren en dus niet goed op de evenzeer uniforme bakjes pasten. Maar in plaats van de machine alleen maar langzamer te zetten, of helemaal uit, kun je ook zoeken naar juiste match. Wie weet wat er dan verpakt kan worden. Geen utopie, geen ou topos, maar gewoon hier in hartje Utrecht. Geen tienvoudige vergoeding in de hemel, ooit, maar gewoon een dekseltje dat, hier en nu, voor de verandering eens precies past. En wie weet wat dat, ooit, aan overvloed weer teruggeeft.

Wie meer wil lezen of luisteren over mijn omzwervingen en uitdagingen in het werkende, artistieke en bredere leven, dat kan hier, hier en hier.


Write a comment